Posted in FICTIE

Neem me mee

Voor een opdracht aan de kunstschool waar ik studeer, moest ik een passieve tekst schrijven vanuit het ik-perspectief waarbij ik de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ níet mocht gebruiken. De woorden ‘me’ en ‘mij’ wel. Het was een uitdaging, maar dit is het resultaat!

Ze vliegen. Honderden vogels rond te kerktoren, een meute van gekras in de lucht. De bus wacht op me, een kilometer ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden wachten met me mee.
Ze ijsberen voor de zitbank, turen naar het uurrooster, ontwijken blikken, kijken weg. Naar de vogels aan de toren. Een vlaag wapperende vleugels, hypnotiserend en uniform.
Daar gaat hij. De telefoon. Omhoog. In de lucht. Wijsvinger boven de knop. Het vastleggen van een tafereel. Het verkopen van een momentopname. Daar gaat ze. Die vingertop naar het roze vierkantje. Die hartslag de hoogte in.
Klikken en selecteren. Typen, lezen, herlezen. Klikken en schuiven en typen, lezen, herlezen. Gepost. Maar voor wie? Voor mij? Voor de mensen die me volgen en voor zij die er voor mij niet toe zouden mogen doen?
Kijk. Naar de vogels. Kijk weg. Van het scherm. Van de namen. Getallen. Tijdelijke geruststelling. De tijdelijke roes. Gezien geweest. Gezien worden. Gezien zijn. Deel van een meute, maar nooit echt helemaal.
De kraaien vliegen alle richtingen uit, warrig en schijnbaar zonder richting, maar altijd samen. In harmonie. Zouden ze me met zich kunnen meenemen? Waar ze ook heen gaan? Zouden ze het me kunnen leren? Mee te vliegen op de golven van de wind?
Zonder verplichtingen, zonder een noodzaak, zonder een doel. Van het ene niets naar het andere. Bewegen uit reflex, niet als opgave. Ademhalen uit zichzelf, niet als keuze.
Telefoon weer weg. Hoofdschudden. Ogen sluiten. Ogen openen. Wegkijken wanneer een man aan de lantaarnpaal naar me staart. Me weer omdraaien. Glimlachen. Niet glimlachen? Niet gemeen zijn. Fronsen is onbeleefd. Maar hij wendt zich af.
Naar de zwerm die zich tegen het zonlicht uitstrekt. Onaangedaan door de ijzige koude. Ongeroerd door donkere dagen en korte nachten. Eeuwige gedachtestromen die geen steek houden, eeuwige beginnen en eindes.
Zouden ze me met zich mee kunnen nemen? Onder de armen mee de lucht in, voeten van de grond, zo licht als een veertje. Op naar een niets. Een verlossend, alleszeggend niets. Een vluchtige eindeloosheid. Geen eindeloze vluchtigheid.
Geen getallen die stijgen of dalen, een ademhaling die stokt, geen nietszeggende prenten van kleine en geposeerde momenten, een hart dat hapert, geen gepolijste woorden die mooier klinken dan de chaos van een hoofd.
Ze krassen. De vogels.
Ze krassen.
Het is geruststellend. Herkenbaar.
Eén van hen blijft verloren achter op de torenspits, kijkt toe hoe de anderen van haar wegvliegen, naar haar terugvliegen, van haar wegvliegen. Telkens weer opnieuw.
Een telefoon in de zak. Ze trilt. Een reactie. Ze trilt. En een hart staat stil. Ze trilt. En een ademhaling stokt. Ze trilt. En de roes daalt over me heen.
Handen zouden kunnen gaan zoeken. Naar wat ze zeggen. Wie me wil zien. Zich voor me wil laten horen. Maar de bus wacht op me, een meter ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden stappen met me op. Ze lopen naar hun stoel, turen uit de ramen, ontwijken blikken, kijken weg.
En de vogels vliegen.

Posted in FICTIE

Pirouettes, alleen voor jou

Nadat ik het boek ‘Hoe ik nu leef’ van Meg Rosoff las, had ik een ontzettend grote drang om te schrijven over een vergelijkbaar thema. Ik spendeerde de volgende dag achter mijn laptop om een kortverhaal te schrijven. Dit is het eerste hoofdstuk!

De sterrenhemel scheen feller dan anders die avond.
Ik zit aan het raam van mijn woonkamer te staren naar de passerende soldaten. Een nutteloze burger als ik wordt na het begin van de avondklok naar huis gestuurd.
Zoals gewoonlijk beëindig ik mijn dag zoals ik hem begon. Met een verlangende blik naar de straten, in gedachten op een weide vol kleurrijke bloemen en een witte volle maan.
De houten stoel kraakt onder me terwijl ik mijn jurk verleg. Mijn donkerblauwe jurk met witte cirkels en rode vlekjes, hangt om mijn benen gedrapeerd.
Ik denk aan de eerste keer dat ik hem droeg, wat meteen een glimlach op mijn gezicht doet verschijnen. Als ik mijn ogen sluit, kan ik zo voor me zien hoe ik eindeloze rondjes danste op de dansvloer terwijl de onderjurk als een zijden wolk rondom me zweefde. Hoe hij aan de zijkant van de dansvloer stond, een onbewogen standbeeld voor het publiek, en ik een kleine grijns om zijn lippen zag verschijnen. Ik herinner me de fonkelende glans in zijn ogen toen ik schaterend op een sneller een nummer probeerde mee te dansen en telkens over mijn eigen voeten struikelde.
Ik wist dat hij naar mij keek. Zelfs terwijl hij diep in gesprek was met een respectvolle burger of een aanbiddende moeder, wiens man een manier had gevonden onder zijn dienstplicht vandaan te komen. Zelfs terwijl hij aandachtig luisterend knikte en humde, schoot zijn blik af en toe in mijn richting. Om er zeker van te zijn dat ik niet plots was verdwenen. Alsof ik dat ooit had gedaan.
Ik slaak een stille zucht, morgen is een nieuwe dag. Morgen is een dag dichterbij.

Om vier uur in de ochtend spring ik uit mijn bed om de koffieketel op het vuur te zetten. Het kamp van de soldaten lag in een bos niet ver hiervandaan. Af en toe moest ik er voor mijn werk heengaan, onder begeleiding van een manusje van alles uit het leger. Leonardo vocht nooit mee, wat hij me telkens weer met een spijtige toon vertelde. Af en toe vroeg ik hem of er al een update was over zijn functie. Tot nu toe is hij altijd mijn taxichauffeur naar het kamp geweest, en heeft hij zelfs geen wapen vastgehouden.
Vanochtend vroeg moet ik – zogenaamd vrijwillig – ontbijt en andere voedselpakketten naar het hoofdkamp brengen. Ik word meestal met erg veel enthousiasme, en een reeks ranzige schuine uitspraken, verwelkomt. Meestal blijf ik langer dan ik moet blijven, omdat ik me nuttiger voel daar dan wanneer ik in het café rondwandel dat de laatste tijd maar half gevuld is.
Ik wandel de badkamer binnen en buiten, huppel door het huis heen en weer om mijn paar schoenen te vinden en giet zodra dat gelukt is de hete koffie in een mok.
Gisteren heb ik mijn keuken nog snel opgeruimd en de afwas van die ochtend in orde gebracht, waardoor het er nu veel beter voorkomt. Na lange dagen werken blijft het moeilijk mijn eigen huis in orde te brengen. Sinds mijn huisgenote Eva bij haar familie op verblijf zit, kan ik amper de eindjes aan elkaar knopen.
Ik neem een slok van mijn koffie en ga voor de spiegel boven de eettafel staan. Mijn halflange bruine haren springen speels alle kanten op. Daar moet ik iets aan veranderen.
Ik grijp een rode haarklem uit de badkamerschuif en spendeer een half uur aan het ineenflansen van een iets properder kapsel. Zodra mijn haren allemaal sierlijk naar achteren gestoken zitten, met uitzondering tot enkele golvende lokken, loop ik terug naar mijn keuken.
De koffie mag dan lauw zijn, ze is nog steeds straf genoeg om me voor de volgende paar uren vooruit te stuwen.
Ik zet de tas in de spoeltafel en rol wat lippenstift over mijn lippen, waarna ik enkele keren in mijn wangen knijp om er een roze blos op te laten verschijnen.
Eva is weg met al mijn make-up, omdat ze haar man eens goed wou verwennen met haar schoonheid nu ze elkaar eindelijk weer zagen.
Ik negeer de stekende pijn in mijn hart bij die gedachte, schud mijn hoofd en vertrek caféwaarts.

De truck van Leonardo zit propvol gerechten voor de dag en groenten en fruit voor de rest van de week.
‘Hoe was je week?’ vraag ik Leo. De dorre zanden weg glijdt met vurige snelheid onder ons weg. Het stof van de aarde vliegt protesterend op.
Leonardo heeft zoals altijd zijn pet opgezet, waardoor zijn donkerbruine ogen onder zijn krullen verdwijnen. Zijn bolle wangen glijden omhoog in een brede glimlach. ‘Fantastisch,’ reageert hij enthousiast. ‘Ze hebben me gevraagd volgende week naar de kapper te gaan.’
‘En dat is… iets goeds?’ Ik dacht het antwoord op die vraag te weten, maar ik wou het antwoord graag uit zijn mond horen. Haar is niet bepaald een grote prioriteit tijdens een gevecht, waardoor het er bij iedereen afgeschoren wordt. Dat van Leonardo is ondertussen zeker drie à vier centimeter langer dan bij het begin van zijn dienst. Als ze zijn haar willen afscheren, zou dat betekenen dat…
‘Ik mag mee op het veld,’ verklaart hij. Hij tikt meermaals met zijn vingers op zijn stuur en hobbelt heen en weer op zijn stoel, als een kleuter die verteld wordt dat die mee mag naar een pretpark. Niet dat die op dit moment open zijn.
‘Leo!’ roep ik door de truck heen. Mijn stem schiet schel door onze oren, waardoor we allebei even onze ogen dichtknijpen. Ik duw hem tegen zijn schouder. ‘Dat is fantastisch nieuws!’
‘Ik weet het.’ Hij glundert.
De grasvelden strekken zich eindeloos rondom ons uit, voor ons nadert het ondertussen bekende bos. Door het zonnige weer staan alle bladeren ontzettend groen en zien de gewoonlijk donkere boomstammen er iets aanlokkelijker uit.
Er knetteren steentjes onder de wielen van de truck terwijl we door het bos heen rijden. Het is nog zo’n tien minuten rijden tot een gigantische schuur naast het bos.
‘Wil je muziek horen?’ vraagt Leonardo met oog op de radio die aan mijn voeten staat.
Ik knik.
‘Is dit dan de laatste keer dat ik je zie?’ vraag ik. Ik leg mijn rechterbeen op mijn linker, en drapeer mijn rode kleedje over me heen als een parachute.
Leonardo buigt zich wat voorover om de radio te nemen en zet hem voor me aan. Er schreeuwt op een luid volume een liedje door de wagen waardoor hij de knop geschrokken op nul draait.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij zodra de muziek op een draaglijk volume staat. Hij haalt zijn schouders op.
Ik bijt op mijn lip. Ik zal het hem niet luidop vertellen, maar er verspreidt traag een gekende pijn in mijn onderbuik. Eén waaraan ik de laatste jaren te snel aan gewend ben geraakt. Sinds wat er met mijn broer gebeurde, leken de mensen rondom me te verdwijnen als sneeuwvlokjes in de ochtendzon. ‘Ik ben alvast blij voor je,’ fluister ik oprecht. Want na al die tijd verdient hij datgene te doen waar hij zo vaak voor getraind heeft.  
Hij kijkt me zijdelings aan. De truck sjeest over de gebroken takken en aarde heen. ‘Je ziet me sowieso nog op kamp,’ zegt hij, mijn gedachten lezend. ‘Bovendien stuur ik je zoveel brieven dat je me nog beu zal geraken.’
Ik lach. ‘Ik betwijfel ten zeerste dat ik je beu zou kunnen geraken.’
Hij trekt een wenkbrauw op en stopt een vinger in de lucht. ‘Pas op wat je zegt.’

Aan het kamp gekomen, wandelen er enkele jongens in onze richting om mee te helpen met uitladen. Kyle salueert me speels, Neil knikt kort en Bryan stapt naar me toe om een arm om me heen te slaan. ‘Kom je ons weer voeden, moeder?’
Een zwartharige gast roept vuile woorden in onze richting, waardoor zijn vrienden beginnen te lachen. Zolang zij het grappig vinden, denk ik dan.
Het ‘plein’ waarop de auto geparkeerd staat, is gevuld met hopen soldaten die in een georganiseerde chaos heen en weer marcheren. De grond onder mijn voeten is zacht en ze strekt zich uit tot het begin van het bos, waarin zich enkele tenten bevinden. Het grootste deel van de mannen verblijft in de schuur zelf, en ze slapen telkens in shiften. Dat vertelde Leonardo me toen ik hier voor het eerst voedsel kwam afzetten. Het lijkt alsof het gisteren was, en de geur van het verse gras en de vochtige boomstammen stuurt me als een raket terug naar de eerste periode van de oorlog.
Ik was al een tijdje verantwoordelijk voor de rantsoenen, die toen een pak kleiner waren omdat we ons niet op een plotse veldslag hadden voorzien. Ik kwam onder begeleiding van een vrolijke Leonardo aan op het kamp toen er iemand anders dan gewoonlijk op ons stond te wachten.
Zijn blonde haren staken onder zijn pet vandaan en er stond een serieuze blik in zijn ogen. De eerste keer dat ik hem zag was ik uitermate geïntimideerd.
Hij keek me aan met affirmerende felblauwe ogen, zo blauw als de lucht op een onbewolkte zomerdag. ‘Miles.’ En vanaf dat moment was ik verliefd op elke beweging die hij maakte. Elk woord dat hij uitsprak. Zo zeker, zo berekend.
Ik zou in een hartslag terug gaan naar dat moment als het kon.
‘Anna?’ Leonardo tikt vragend op mijn schouder. ‘We moeten de truck zo snel mogelijk van het plein halen.’
Met die uitspraak probeert hij vriendelijk duidelijk te maken dat ik mijn gedachten van me af moet zetten en me niet zo mag laten hangen, aangezien we op een legerbasis staan en er een oorlog aan de gang is. Hoewel je het door de fluitende vogels en ritselende bladeren bijna zou vergeten.
Ik hef de dozen mee naar de grote schuur, waar veel van het eten gestald staat. Ik had nooit begrepen waarom ze zich niet simpelweg in de betonnen legergebouwen hadden geïnstalleerd, die veel bestendiger waren tegen de rampzalige weersomstandigheden die hier de kop opsteken, tot Miles vertelde dat dat een voor de hand liggende optie was, en ze die daarom niet zouden nemen.
Ik zet de eerste reeks voedingssupplementen op een tafel in de hoek. Kyle volgt me op de voet en vertelt me over zijn dochter Elle, die vorige week geboren is.
Hij gaat dromerig door en door over haar prachtige ogen en schattige bolle wangen. De overduidelijke liefde voor zijn dochter verwarmt me van binnenuit.
‘Heb je gehoord van Leo?’ vraagt Bryan die zich bij ons voegt. Zijn blonde haren steken wit af tegen zijn gebruinde huid.
‘Dat hij aangesteld is?’
‘Ja,’ hij zoekt de blik van Kyle alsof hij iets bij hem wil checken, ‘en waarom.’
Ik vertraag mijn pas even. De manier waarop hij dat zegt geeft me rillingen.
We passeren een groepje jongens dat me vorige maand heeft geholpen met koken omdat Bryan hen er met harde hand op wees dat ze ook wel eens iets nuttig mochten doen. Wat best ironisch is, omdat ik me eerder nutteloos voel dan hen.
De groep begroet me kordaat.
Aan de truck gekomen, springt Kyle erin om de dozen met groenten aan Bryan door te geven.
Ik houd mijn volgende opmerking in tot Neil naar de schuur terugkeert met zijn nieuwe lading.
‘Het wordt erger, is het niet?’ vraag ik. Ik kijk Neil even na. ‘De oorlog.’
Kyle schenkt me een betekenisvolle blik terwijl hij een andere doos neemt en die aan mij geeft.
Ik had het wel zien aankomen, omdat het de laatste tijd te rustig is om goed te zijn. Het voelde als een stilte voor de storm. Toch. Zelfs als je iets ziet aankomen, betekent dat niet dat je het met open armen en een brede glimlach verwelkomt. Verre daarvan zelfs.
Zodra we alle drie zoveel vasthebben als we kunnen dragen, wandelen we weer terug. Ik kijk in het rond naar de mensen rondom me. Het is hier een heus bijennest van donkergroene kleren.
‘Ze hebben meer mensen nodig, dus nu nemen ze hem ook aan?’ vroeg ik. En het klonk zo gemeen tegenover Leonardo, alsof ze hem anders niet zouden willen. Ik wou zelf dat dat de enige reden was dat ze hem aannamen. Gewoon, omdat ze iets in hem zien.
‘Ja.’ Bryan bijt op zijn gescheurde lippen.
Ik bijt op de binnenkant van mijn onderlip. Als ik hier niet kwam, zou ik helemaal niet zo op de hoogte zijn van de situatie als nu. Dan hing ik net als de andere inwoners van de stad af van de roddels en geruchten die rondgingen in de cafés en superettes.
‘Ze hebben gisteren een hele stad gebombardeerd,’ fluistert Kyle. Ik sluit mijn ogen in een stille frustratie. Dan was het toch waar wat Eva me via de telefoon had verteld. Af en toe wens ik dat geruchten gewoon geruchten bleven en geen verschrikkelijke waarheid werden.
De enige reden dat ik – en vele anderen – nooit wen aan dit soort nieuws, is het besef dat wij de volgende zouden kunnen zijn.
Bryan komt voor me lopen en keert zich naar me om. ‘We geven niet zomaar op.’
‘Dat mag ik hopen,’ zeg ik speels.
‘Voor jou red ik de wereld, fraulein.’ Hij kijkt me met een scheve grijns aan en loopt de schuur door.
Aan de tafel met supplementen staat ondertussen al een lange rij hongerige jongens, die honderd runderen zouden kunnen verorberen. ‘Toch enkel voor mij?’ zeg ik tegen Bryan die met zijn wenkbrauwen op en neer wiebelt.
Hij zet zijn en mijn bak met groenten op de tafel, neemt mijn hand vast en draait me in het rond. ‘Jij bent de enige.’
Ik glimlach en klop hem op zijn borstkas. ‘Goed zo.’
Ik heb geleerd dat ik niet mag verdrinken in triestheden op momenten als deze. En ondanks zijn speelse gedrag, weet ik dat Bryan meer van de bommen afziet dan hij laat blijken. Hij is anders dan Kyle, die zijn verdriet kort uit en dan verdergaat. Anders dan Neil, die deze zaken eerder in zichzelf lijkt te verwerken.
Neil is stil, en hij gaat ook stil met dit soort zaken om. Hij is vriendelijk en oprecht, maar moeilijk te doorgronden.
Bryan uit zijn gevoelens meestal met dubbelzinnige uitspraken of flirterige opmerkingen. En geheimzinnige zaken in donkere ruimtes in de achterkamer van de schuur. Maar die geheimzinnige zaken blijven enkel tussen hem en mij.

Posted in FICTIE

Gedichten van vroeger

Vorig jaar schreef ik voor het eerst sinds 2015 weer gedichten. Quarantaine, corona, eenzaamheid… het zorgt voor velen voor rommelige en chaotische gedachten. Deze gedichten sommen in een notendop op welke sprongen die gedachten af en toe maakten.

Bubbels

Vroeger
Toen ik dacht dat ik twijfelde
Kwamen de woorden sneller dan het licht naar boven
Zwommen mijn gedachten zonder remmingen over mijn lippen
Nu
Zit ik vast in mijn veilige bubbel
Waar ik alles ken, en niks pijn doet
Mijn veilige bubbel
Waar ik alles ken, en niks pijn doet
Maar
Ik wil niet meer vastzitten
Ik wil niet meer wegrennen
Ik wil niet gaan lopen
Geef me een speld
Een naald
Een nagel
Geef mij de ongedwongen, roekeloze ik
De ik die zei wat ze dacht
Geef me de roekeloze ik
Wiens woorden als golven naar buiten tuimelden
Geef me die ik
Want ik heb haar nodig
Want er staat iemand naast mijn bubbel
Zo dichtbij
Maar niet veilig
Zo dichtbij
Anderhalve meter van me verwijderd
Geef mij de ongedwongen, roekeloze ik
Want ik heb haar nodig
Want ik wil hem

Zijn

Zijn ogen
Zijn verblindende
Magische
Glinsterende
Verlammende
Ogen
Ze keken me aan
Daagden me uit verder te gaan

Zijn handen
Zijn zachte
Tedere
Lieve
Warme
Handen
Ze hielden me vast
Verlosten me van elke last

Zijn lippen
Zijn volle
Roze
Lokkende
Lovende
Lippen
Ze kusten mijn wonden
Die me mijn leven lang hadden verslonden

En zijn woorden
Zijn mooie
Echte
Ware
Werkelijke
Woorden
Ze spraken zijn waarheid
En ze waren de mooiste die ik ooit had gehoord

Dat ik een gedicht schrijf

Dat ik een gedicht schrijf
Dat ik een gedicht schrijf
Dat is geen goed teken
Voor mij
Het betekent dat ik voel
Te veel voel
Meer voel dan verdriet
Dat ik in een lied stop
Frustratie
Het betekent frustratie
En vooral
Bovenal
Boven alles
Angst
Ik ben bang
Als ik voel
Ben ik bang
Maar ik voel
Dus
Moest je
Om een rare reden
Willen
Dat ik voel
Voor jou…
Dat ik een gedicht schrijf
Is een teken
Het betekent dat ik voel
Te veel voel
Meer voel dan verdriet
Frustratie
Het betekent frustratie
En vooral
Bovenal
Boven alles
Angst
Ik ben bang
Als ik voel
Ben ik bang
Want ik voel
Dus… als je het wil
Ergens diep
Vanbinnen
Dit gedicht wil zeggen
Dat ik voel

Ik zal zoeken

Wacht.
Wacht even
Blijf even staan
Hier in de schaduw
Voor je begint
Voor je spreekt
Voor je verdergaat
Geef me even
Om je te waarschuwen
Voor je begint
Voor je spreekt
Voor je praat
Geef me even
Te midden van de bomen
Te midden van de wegen
Te midden van de chaos die zich overal ontvouwt
Ik zal zoeken
Ik ga zoeken
naar fouten
problemen
afwijkingen
in jou
in mij
in dit
Niet
Omdat ik je niet wil
Want
Ik wil
Juist te veel
Ik zoek
Omdat ik het verleden niet wil herhalen
En mijn hart
Niet wil geven
Om het dan weer te laten verpletteren
Niet
Omdat ik je niet wil
Want ik wil
Echt
Maar
Misschien wil jij niet
Of misschien loopt het fout af
En ik zit al te diep om dat zomaar te laten gebeuren
Dus ik zal zoeken
En dat spijt me
Ik ga zoeken
Voor mijn veiligheid
En dat spijt me
Dat spijt me
Ik zal zoeken

Netten

Stiltes vormen netten
Rond de liefde die er was
En ik kan niets vergeten
Zie je liefde achter glas
Ik kan je niet uitwissen
Er is geen teruggaan meer
Ik zie je zo vaak lopen
Herken je keer op keer
Ik kan alleen maar gissen
Naar wat we zijn geweest
En dat ik naar je terugkom
Is wat iedereen vreest

Merk je het aan me?

De tijd vliegt ons voorbij zoals een speer
De woorden die je schoot met jouw geweer
De wonden die me maakten wie ik ben
Veranderd in iemand die niemand herkent
Denk je soms aan me?
Want ik wel, en dan wens ik weer van niet
Hoop je voor me?
Want ik ken je amper en jij kende nooit mijn verdriet
Spijt het je voor me?
Of denk je dat alles in een waterval verdween
Merk je het aan me?
Soms wil ik je spreken, maar ik stop mezelf meteen

Zelfs als je niet bij me bent

Als kind geloofde ik in sprookjes. Als kind geloofde ik in dromen.
Als kind dacht ik dat geluk je zomaar zou overkomen.
Als kind dacht ik dat goede mensen, goede dingen kregen.
Als kind was ik naïef te denken dat willen, moeten oversteeg en
toen ik klein was, toen ik spurtte, en op mijn blote knieën viel,
Was er altijd iemand voor me, die me opving en van me hield.

Als kind dacht ik te weten, dat zal ik nooit meer vergeten…
Als kind dacht ik te weten, hoe sterk en hoe de liefde was.
Maar wat het werd, was nooit geweten, wat we hadden, nooit gekend.
En dat zal ik nooit vergeten, zelfs als jij niet bij me bent.

Nee, ons zal ik nooit vergeten.
Zelfs als jij niet bij me bent.
Nooit zal ik jou en mij vergeten.
Zelfs als jij niet bij me bent

Er hangt een duivel in mijn kamer

er hangt een duivel in mijn kamer
elke avond sist hij toe
dat ik nooit echte liefde krijg en
alle mensen zijn te moe
om me ooit te kunnen waarderen
ik zuig al hun wilskracht eruit
met mijn lege, zwakke woorden
met mijn afzichtelijke snuit

er hangt een duivel in mijn kamer
rode ogen, vol met vuur
hij zegt dat ik nooit meer mag dromen
elke nacht, en elk uur
‘s nachts in mijn dromen loop ik weg van
enge gezichten, die ik ken
als ik daarna mijn ogen open
verafschuw ik weer wie ik ben

Opeens

Opeens ben ik gelukkig
En plots kruipt er een lach
Spontaan over mijn lippen
Te midden van een dag
Ik dacht niet dat het ooit kon
Maar ben er zo blij mee
Ik heb mijn juiste plaats gevonden
In deze enge mensenzee

Posted in FICTIE

Kortverhaal: Tussen vier muren

1.

De zon schijnt door het spleetje tussen mijn gordijnen als ik wakker word. Ik kijk naar de wekker op mijn nachtkastje. Half elf. Mijn lichaam is een log gewicht dat zich tegen mijn matras aanduwt.
De zwaartekracht werkt als een magneet, waardoor ik elke ochtend weer het gevoel heb dat ik ga blijven plakken. Ik slaak een lange zucht terwijl ik de scheurtjes in het plafond tel.
Een half uur later beslis ik dat ik best opsta als ik nog iets aan mijn dag wil hebben. Ik heb de laatste dagen telkens geslapen tot in de namiddag, en ’s avonds was ik te moe om langer op te blijven, waardoor ik niks productief heb gedaan deze week.
Ik duw mezelf traag van mijn bed en ontwijk de spiegel. Als ik juist wakker ben, zie ik eruit als Ursula van De Kleine Zeemeermin. Mijn bles is een kuif, er hangt kwijl aan mijn kin en mijn kleren zijn gekreukt, dus ik zie er uitermate charmant uit.
Zodra ik in de keuken ben zet ik de radio en de waterkoker aan. Het is weer het typische praatuurtje, waarbij ze babbelen over vreemde zaken zoals de ambities die vrouwen hebben om CEO te worden of hoe belangrijk seks is voor je geluk. Die twee zijn zo verschillend, en toch weten ze, ze altijd aan te halen tijdens de uitzending. Waar het hart van vol is, denk ik dan.
Ik schenk mezelf een tas koffie in en wandel naar de voorkant van het huis. We wonen in een cottage-achtig huisje, met prachtige pastelgekleurde muren en parketvloeren. De andere huizen hebben vergelijkbare gevels, maar elk andere brievenbussen. Die van ons is in de vorm van een merel. Die was zo apart dat ik Mike verplíchtte hem te kopen. Hij trekt zich gelukkig niet veel aan van de decoratie van ons huis, waardoor ik op dat vlak helemaal los kan gaan.
Ik zwaai even naar onze buurvrouw die enthousiast naar me glimlacht als ze me ziet staan kijken. Ze is gek op tuinieren, dus je kan haar bijna elke dag in haar voortuin tussen de bloemen vinden. Haar zwarte haar zit in een staartje, en ze draagt haar gewoonlijke outfit; een bloemrok met een felgekleurde blouse. Het geluid van vrolijk gegil trekt mijn aandacht. De kinderen van onze overburen spelen tikkertje in het midden van de weg. Hun blote voeten trippelen over de betonnen straat. Hun handen hangen vol gekleurd krijt, van een tekening die ze gemaakt hebben op het voetpad. Ik probeer uit te zoeken wat de tekening voorstelt, maar ik zie enkel van hieruit een resem lijnen en cirkels.
De felle ochtendzon reflecteert in het fotokadertje dat naast ons haardvuur hangt. Ik wandel naar de foto toe en zucht. Deze foto nam mijn moeder van Mike en ik tijdens het trouwfeest van mijn zus. Ik heb een roze jurk aan en Mike zijn pak met een strik. Ik herinner me die avond alsof het gisteren was. Het was rond de kerstperiode, waardoor elke ruimte versierd was met lichtjes en kerstballen. In de hoek van de feestzaal, waar wij zaten, stond een gigantische dennenboom met besneeuwde takken. Die maakt de foto helemaal af.
We dansten een hele avond aan een stuk. Mijn tantes kwamen af en toe naar me toe om overenthousiast te verklaren dat hij wel van wanten wist. Toen Mike en ik speels de salsa begonnen te dansen op een Latino nummer, lagen hun tongen nog net niet op de dansvloer.
Af en toe lijkt het alsof zelfs mijn moeder gekker is op Mike dan op mij, maar mijn vader vertelde me dat mama gewoon blij was dat ik iemand goed had gevonden.
Hij zei dat ze een soort radar had waarmee ze meteen kon merken of iemand slechte intenties had of niet.
Mike en ik dansten de hele avond. Hij droeg me naar onze hotelkamer toen mijn benen het plots begaven. Het zal de vermoeidheid zijn, zei hij met een empathische glimlach op zijn gezicht. Ik was gelukkig.
Ik wist dat ik hem zou verliezen. Ik bad die avond, dat ik hem nooit zou verliezen.

***


Ik wandel de gang door tot ik aan de kelderdeur kom. De deur is donkerbruin, en de verf is op sommige plaatsen verschoten. Ik merk op dat de lelijke gele verf van de vorige bewoner er terug door begint te komen – absoluut geweldig.
Als er één iemand is die goed kan verven, is het Mike. Hij legt de lat van vaardigheden zo hoog dat niemand eraan zou kunnen tippen. Ik wil niet te vaak denken dat hij perfect is, want niemand is perfect.
Bewijsstuk één: Wat zich in mijn kelder bevindt. Maar hij is perfect imperfect.
Ik ontmoette hem in een club, en de hele wereld stond stil. Ik hoorde de muziek niet meer, ik hoorde enkel zijn stem. Ik zag enkel zijn ogen.
Ik verklaarde mezelf voor gek dat ik meteen zo van de kaart was door iemand tegen wie ik nog nooit van mijn leven gesproken had. Als ik naar hem keek, voelde het alsof ik thuiskwam.
Ik wenste dat niks dat moment zou verpesten. Ik verklaarde me voor gek dat ik op dat moment dacht: “Hem. Ik ga de rest van mijn leven met hém spenderen.” Maar dat is te goed voor mij. Maar dat was onrealistisch. Zijn stem was zo zwaar dat ze natrilde in mijn onderbuik. Ze was zo laag dat ze het trillen van de luide bassen overtrof. Ik was helemaal overrompeld door zijn aanwezigheid. Af en toe denk ik dat ik te veel van hem begon te houden. Te veel, te snel. En nu bijten mijn eigen luizen me.