Posted in FICTIE

Neem me mee

Voor een opdracht aan de kunstschool waar ik studeer, moest ik een passieve tekst schrijven vanuit het ik-perspectief waarbij ik de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ níet mocht gebruiken. De woorden ‘me’ en ‘mij’ wel. Het was een uitdaging, maar dit is het resultaat!

Ze vliegen. Honderden vogels rond te kerktoren, een meute van gekras in de lucht. De bus wacht op me, een kilometer ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden wachten met me mee.
Ze ijsberen voor de zitbank, turen naar het uurrooster, ontwijken blikken, kijken weg. Naar de vogels aan de toren. Een vlaag wapperende vleugels, hypnotiserend en uniform.
Daar gaat hij. De telefoon. Omhoog. In de lucht. Wijsvinger boven de knop. Het vastleggen van een tafereel. Het verkopen van een momentopname. Daar gaat ze. Die vingertop naar het roze vierkantje. Die hartslag de hoogte in.
Klikken en selecteren. Typen, lezen, herlezen. Klikken en schuiven en typen, lezen, herlezen. Gepost. Maar voor wie? Voor mij? Voor de mensen die me volgen en voor zij die er voor mij niet toe zouden mogen doen?
Kijk. Naar de vogels. Kijk weg. Van het scherm. Van de namen. Getallen. Tijdelijke geruststelling. De tijdelijke roes. Gezien geweest. Gezien worden. Gezien zijn. Deel van een meute, maar nooit echt helemaal.
De kraaien vliegen alle richtingen uit, warrig en schijnbaar zonder richting, maar altijd samen. In harmonie. Zouden ze me met zich kunnen meenemen? Waar ze ook heen gaan? Zouden ze het me kunnen leren? Mee te vliegen op de golven van de wind?
Zonder verplichtingen, zonder een noodzaak, zonder een doel. Van het ene niets naar het andere. Bewegen uit reflex, niet als opgave. Ademhalen uit zichzelf, niet als keuze.
Telefoon weer weg. Hoofdschudden. Ogen sluiten. Ogen openen. Wegkijken wanneer een man aan de lantaarnpaal naar me staart. Me weer omdraaien. Glimlachen. Niet glimlachen? Niet gemeen zijn. Fronsen is onbeleefd. Maar hij wendt zich af.
Naar de zwerm die zich tegen het zonlicht uitstrekt. Onaangedaan door de ijzige koude. Ongeroerd door donkere dagen en korte nachten. Eeuwige gedachtestromen die geen steek houden, eeuwige beginnen en eindes.
Zouden ze me met zich mee kunnen nemen? Onder de armen mee de lucht in, voeten van de grond, zo licht als een veertje. Op naar een niets. Een verlossend, alleszeggend niets. Een vluchtige eindeloosheid. Geen eindeloze vluchtigheid.
Geen getallen die stijgen of dalen, een ademhaling die stokt, geen nietszeggende prenten van kleine en geposeerde momenten, een hart dat hapert, geen gepolijste woorden die mooier klinken dan de chaos van een hoofd.
Ze krassen. De vogels.
Ze krassen.
Het is geruststellend. Herkenbaar.
Eén van hen blijft verloren achter op de torenspits, kijkt toe hoe de anderen van haar wegvliegen, naar haar terugvliegen, van haar wegvliegen. Telkens weer opnieuw.
Een telefoon in de zak. Ze trilt. Een reactie. Ze trilt. En een hart staat stil. Ze trilt. En een ademhaling stokt. Ze trilt. En de roes daalt over me heen.
Handen zouden kunnen gaan zoeken. Naar wat ze zeggen. Wie me wil zien. Zich voor me wil laten horen. Maar de bus wacht op me, een meter ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden stappen met me op. Ze lopen naar hun stoel, turen uit de ramen, ontwijken blikken, kijken weg.
En de vogels vliegen.

Unknown's avatar

Author:

Een praatgrage, enthousiaste boekenfanaat met een passie voor schrijven.

Leave a comment