Posted in FICTIE

Neem me mee

Voor een opdracht aan de kunstschool waar ik studeer, moest ik een passieve tekst schrijven vanuit het ik-perspectief waarbij ik de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ níet mocht gebruiken. De woorden ‘me’ en ‘mij’ wel. Het was een uitdaging, maar dit is het resultaat!

Ze vliegen. Honderden vogels rond te kerktoren, een meute van gekras in de lucht. De bus wacht op me, een kilometer ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden wachten met me mee.
Ze ijsberen voor de zitbank, turen naar het uurrooster, ontwijken blikken, kijken weg. Naar de vogels aan de toren. Een vlaag wapperende vleugels, hypnotiserend en uniform.
Daar gaat hij. De telefoon. Omhoog. In de lucht. Wijsvinger boven de knop. Het vastleggen van een tafereel. Het verkopen van een momentopname. Daar gaat ze. Die vingertop naar het roze vierkantje. Die hartslag de hoogte in.
Klikken en selecteren. Typen, lezen, herlezen. Klikken en schuiven en typen, lezen, herlezen. Gepost. Maar voor wie? Voor mij? Voor de mensen die me volgen en voor zij die er voor mij niet toe zouden mogen doen?
Kijk. Naar de vogels. Kijk weg. Van het scherm. Van de namen. Getallen. Tijdelijke geruststelling. De tijdelijke roes. Gezien geweest. Gezien worden. Gezien zijn. Deel van een meute, maar nooit echt helemaal.
De kraaien vliegen alle richtingen uit, warrig en schijnbaar zonder richting, maar altijd samen. In harmonie. Zouden ze me met zich kunnen meenemen? Waar ze ook heen gaan? Zouden ze het me kunnen leren? Mee te vliegen op de golven van de wind?
Zonder verplichtingen, zonder een noodzaak, zonder een doel. Van het ene niets naar het andere. Bewegen uit reflex, niet als opgave. Ademhalen uit zichzelf, niet als keuze.
Telefoon weer weg. Hoofdschudden. Ogen sluiten. Ogen openen. Wegkijken wanneer een man aan de lantaarnpaal naar me staart. Me weer omdraaien. Glimlachen. Niet glimlachen? Niet gemeen zijn. Fronsen is onbeleefd. Maar hij wendt zich af.
Naar de zwerm die zich tegen het zonlicht uitstrekt. Onaangedaan door de ijzige koude. Ongeroerd door donkere dagen en korte nachten. Eeuwige gedachtestromen die geen steek houden, eeuwige beginnen en eindes.
Zouden ze me met zich mee kunnen nemen? Onder de armen mee de lucht in, voeten van de grond, zo licht als een veertje. Op naar een niets. Een verlossend, alleszeggend niets. Een vluchtige eindeloosheid. Geen eindeloze vluchtigheid.
Geen getallen die stijgen of dalen, een ademhaling die stokt, geen nietszeggende prenten van kleine en geposeerde momenten, een hart dat hapert, geen gepolijste woorden die mooier klinken dan de chaos van een hoofd.
Ze krassen. De vogels.
Ze krassen.
Het is geruststellend. Herkenbaar.
Eén van hen blijft verloren achter op de torenspits, kijkt toe hoe de anderen van haar wegvliegen, naar haar terugvliegen, van haar wegvliegen. Telkens weer opnieuw.
Een telefoon in de zak. Ze trilt. Een reactie. Ze trilt. En een hart staat stil. Ze trilt. En een ademhaling stokt. Ze trilt. En de roes daalt over me heen.
Handen zouden kunnen gaan zoeken. Naar wat ze zeggen. Wie me wil zien. Zich voor me wil laten horen. Maar de bus wacht op me, een meter ver, tot deze voeten opstappen en haar wielen me vervoeren. Vreemden stappen met me op. Ze lopen naar hun stoel, turen uit de ramen, ontwijken blikken, kijken weg.
En de vogels vliegen.

Posted in FICTIE

Pirouettes, alleen voor jou

Nadat ik het boek ‘Hoe ik nu leef’ van Meg Rosoff las, had ik een ontzettend grote drang om te schrijven over een vergelijkbaar thema. Ik spendeerde de volgende dag achter mijn laptop om een kortverhaal te schrijven. Dit is het eerste hoofdstuk!

De sterrenhemel scheen feller dan anders die avond.
Ik zit aan het raam van mijn woonkamer te staren naar de passerende soldaten. Een nutteloze burger als ik wordt na het begin van de avondklok naar huis gestuurd.
Zoals gewoonlijk beëindig ik mijn dag zoals ik hem begon. Met een verlangende blik naar de straten, in gedachten op een weide vol kleurrijke bloemen en een witte volle maan.
De houten stoel kraakt onder me terwijl ik mijn jurk verleg. Mijn donkerblauwe jurk met witte cirkels en rode vlekjes, hangt om mijn benen gedrapeerd.
Ik denk aan de eerste keer dat ik hem droeg, wat meteen een glimlach op mijn gezicht doet verschijnen. Als ik mijn ogen sluit, kan ik zo voor me zien hoe ik eindeloze rondjes danste op de dansvloer terwijl de onderjurk als een zijden wolk rondom me zweefde. Hoe hij aan de zijkant van de dansvloer stond, een onbewogen standbeeld voor het publiek, en ik een kleine grijns om zijn lippen zag verschijnen. Ik herinner me de fonkelende glans in zijn ogen toen ik schaterend op een sneller een nummer probeerde mee te dansen en telkens over mijn eigen voeten struikelde.
Ik wist dat hij naar mij keek. Zelfs terwijl hij diep in gesprek was met een respectvolle burger of een aanbiddende moeder, wiens man een manier had gevonden onder zijn dienstplicht vandaan te komen. Zelfs terwijl hij aandachtig luisterend knikte en humde, schoot zijn blik af en toe in mijn richting. Om er zeker van te zijn dat ik niet plots was verdwenen. Alsof ik dat ooit had gedaan.
Ik slaak een stille zucht, morgen is een nieuwe dag. Morgen is een dag dichterbij.

Om vier uur in de ochtend spring ik uit mijn bed om de koffieketel op het vuur te zetten. Het kamp van de soldaten lag in een bos niet ver hiervandaan. Af en toe moest ik er voor mijn werk heengaan, onder begeleiding van een manusje van alles uit het leger. Leonardo vocht nooit mee, wat hij me telkens weer met een spijtige toon vertelde. Af en toe vroeg ik hem of er al een update was over zijn functie. Tot nu toe is hij altijd mijn taxichauffeur naar het kamp geweest, en heeft hij zelfs geen wapen vastgehouden.
Vanochtend vroeg moet ik – zogenaamd vrijwillig – ontbijt en andere voedselpakketten naar het hoofdkamp brengen. Ik word meestal met erg veel enthousiasme, en een reeks ranzige schuine uitspraken, verwelkomt. Meestal blijf ik langer dan ik moet blijven, omdat ik me nuttiger voel daar dan wanneer ik in het café rondwandel dat de laatste tijd maar half gevuld is.
Ik wandel de badkamer binnen en buiten, huppel door het huis heen en weer om mijn paar schoenen te vinden en giet zodra dat gelukt is de hete koffie in een mok.
Gisteren heb ik mijn keuken nog snel opgeruimd en de afwas van die ochtend in orde gebracht, waardoor het er nu veel beter voorkomt. Na lange dagen werken blijft het moeilijk mijn eigen huis in orde te brengen. Sinds mijn huisgenote Eva bij haar familie op verblijf zit, kan ik amper de eindjes aan elkaar knopen.
Ik neem een slok van mijn koffie en ga voor de spiegel boven de eettafel staan. Mijn halflange bruine haren springen speels alle kanten op. Daar moet ik iets aan veranderen.
Ik grijp een rode haarklem uit de badkamerschuif en spendeer een half uur aan het ineenflansen van een iets properder kapsel. Zodra mijn haren allemaal sierlijk naar achteren gestoken zitten, met uitzondering tot enkele golvende lokken, loop ik terug naar mijn keuken.
De koffie mag dan lauw zijn, ze is nog steeds straf genoeg om me voor de volgende paar uren vooruit te stuwen.
Ik zet de tas in de spoeltafel en rol wat lippenstift over mijn lippen, waarna ik enkele keren in mijn wangen knijp om er een roze blos op te laten verschijnen.
Eva is weg met al mijn make-up, omdat ze haar man eens goed wou verwennen met haar schoonheid nu ze elkaar eindelijk weer zagen.
Ik negeer de stekende pijn in mijn hart bij die gedachte, schud mijn hoofd en vertrek caféwaarts.

De truck van Leonardo zit propvol gerechten voor de dag en groenten en fruit voor de rest van de week.
‘Hoe was je week?’ vraag ik Leo. De dorre zanden weg glijdt met vurige snelheid onder ons weg. Het stof van de aarde vliegt protesterend op.
Leonardo heeft zoals altijd zijn pet opgezet, waardoor zijn donkerbruine ogen onder zijn krullen verdwijnen. Zijn bolle wangen glijden omhoog in een brede glimlach. ‘Fantastisch,’ reageert hij enthousiast. ‘Ze hebben me gevraagd volgende week naar de kapper te gaan.’
‘En dat is… iets goeds?’ Ik dacht het antwoord op die vraag te weten, maar ik wou het antwoord graag uit zijn mond horen. Haar is niet bepaald een grote prioriteit tijdens een gevecht, waardoor het er bij iedereen afgeschoren wordt. Dat van Leonardo is ondertussen zeker drie à vier centimeter langer dan bij het begin van zijn dienst. Als ze zijn haar willen afscheren, zou dat betekenen dat…
‘Ik mag mee op het veld,’ verklaart hij. Hij tikt meermaals met zijn vingers op zijn stuur en hobbelt heen en weer op zijn stoel, als een kleuter die verteld wordt dat die mee mag naar een pretpark. Niet dat die op dit moment open zijn.
‘Leo!’ roep ik door de truck heen. Mijn stem schiet schel door onze oren, waardoor we allebei even onze ogen dichtknijpen. Ik duw hem tegen zijn schouder. ‘Dat is fantastisch nieuws!’
‘Ik weet het.’ Hij glundert.
De grasvelden strekken zich eindeloos rondom ons uit, voor ons nadert het ondertussen bekende bos. Door het zonnige weer staan alle bladeren ontzettend groen en zien de gewoonlijk donkere boomstammen er iets aanlokkelijker uit.
Er knetteren steentjes onder de wielen van de truck terwijl we door het bos heen rijden. Het is nog zo’n tien minuten rijden tot een gigantische schuur naast het bos.
‘Wil je muziek horen?’ vraagt Leonardo met oog op de radio die aan mijn voeten staat.
Ik knik.
‘Is dit dan de laatste keer dat ik je zie?’ vraag ik. Ik leg mijn rechterbeen op mijn linker, en drapeer mijn rode kleedje over me heen als een parachute.
Leonardo buigt zich wat voorover om de radio te nemen en zet hem voor me aan. Er schreeuwt op een luid volume een liedje door de wagen waardoor hij de knop geschrokken op nul draait.
‘Ik weet het niet,’ zegt hij zodra de muziek op een draaglijk volume staat. Hij haalt zijn schouders op.
Ik bijt op mijn lip. Ik zal het hem niet luidop vertellen, maar er verspreidt traag een gekende pijn in mijn onderbuik. Eén waaraan ik de laatste jaren te snel aan gewend ben geraakt. Sinds wat er met mijn broer gebeurde, leken de mensen rondom me te verdwijnen als sneeuwvlokjes in de ochtendzon. ‘Ik ben alvast blij voor je,’ fluister ik oprecht. Want na al die tijd verdient hij datgene te doen waar hij zo vaak voor getraind heeft.  
Hij kijkt me zijdelings aan. De truck sjeest over de gebroken takken en aarde heen. ‘Je ziet me sowieso nog op kamp,’ zegt hij, mijn gedachten lezend. ‘Bovendien stuur ik je zoveel brieven dat je me nog beu zal geraken.’
Ik lach. ‘Ik betwijfel ten zeerste dat ik je beu zou kunnen geraken.’
Hij trekt een wenkbrauw op en stopt een vinger in de lucht. ‘Pas op wat je zegt.’

Aan het kamp gekomen, wandelen er enkele jongens in onze richting om mee te helpen met uitladen. Kyle salueert me speels, Neil knikt kort en Bryan stapt naar me toe om een arm om me heen te slaan. ‘Kom je ons weer voeden, moeder?’
Een zwartharige gast roept vuile woorden in onze richting, waardoor zijn vrienden beginnen te lachen. Zolang zij het grappig vinden, denk ik dan.
Het ‘plein’ waarop de auto geparkeerd staat, is gevuld met hopen soldaten die in een georganiseerde chaos heen en weer marcheren. De grond onder mijn voeten is zacht en ze strekt zich uit tot het begin van het bos, waarin zich enkele tenten bevinden. Het grootste deel van de mannen verblijft in de schuur zelf, en ze slapen telkens in shiften. Dat vertelde Leonardo me toen ik hier voor het eerst voedsel kwam afzetten. Het lijkt alsof het gisteren was, en de geur van het verse gras en de vochtige boomstammen stuurt me als een raket terug naar de eerste periode van de oorlog.
Ik was al een tijdje verantwoordelijk voor de rantsoenen, die toen een pak kleiner waren omdat we ons niet op een plotse veldslag hadden voorzien. Ik kwam onder begeleiding van een vrolijke Leonardo aan op het kamp toen er iemand anders dan gewoonlijk op ons stond te wachten.
Zijn blonde haren staken onder zijn pet vandaan en er stond een serieuze blik in zijn ogen. De eerste keer dat ik hem zag was ik uitermate geïntimideerd.
Hij keek me aan met affirmerende felblauwe ogen, zo blauw als de lucht op een onbewolkte zomerdag. ‘Miles.’ En vanaf dat moment was ik verliefd op elke beweging die hij maakte. Elk woord dat hij uitsprak. Zo zeker, zo berekend.
Ik zou in een hartslag terug gaan naar dat moment als het kon.
‘Anna?’ Leonardo tikt vragend op mijn schouder. ‘We moeten de truck zo snel mogelijk van het plein halen.’
Met die uitspraak probeert hij vriendelijk duidelijk te maken dat ik mijn gedachten van me af moet zetten en me niet zo mag laten hangen, aangezien we op een legerbasis staan en er een oorlog aan de gang is. Hoewel je het door de fluitende vogels en ritselende bladeren bijna zou vergeten.
Ik hef de dozen mee naar de grote schuur, waar veel van het eten gestald staat. Ik had nooit begrepen waarom ze zich niet simpelweg in de betonnen legergebouwen hadden geïnstalleerd, die veel bestendiger waren tegen de rampzalige weersomstandigheden die hier de kop opsteken, tot Miles vertelde dat dat een voor de hand liggende optie was, en ze die daarom niet zouden nemen.
Ik zet de eerste reeks voedingssupplementen op een tafel in de hoek. Kyle volgt me op de voet en vertelt me over zijn dochter Elle, die vorige week geboren is.
Hij gaat dromerig door en door over haar prachtige ogen en schattige bolle wangen. De overduidelijke liefde voor zijn dochter verwarmt me van binnenuit.
‘Heb je gehoord van Leo?’ vraagt Bryan die zich bij ons voegt. Zijn blonde haren steken wit af tegen zijn gebruinde huid.
‘Dat hij aangesteld is?’
‘Ja,’ hij zoekt de blik van Kyle alsof hij iets bij hem wil checken, ‘en waarom.’
Ik vertraag mijn pas even. De manier waarop hij dat zegt geeft me rillingen.
We passeren een groepje jongens dat me vorige maand heeft geholpen met koken omdat Bryan hen er met harde hand op wees dat ze ook wel eens iets nuttig mochten doen. Wat best ironisch is, omdat ik me eerder nutteloos voel dan hen.
De groep begroet me kordaat.
Aan de truck gekomen, springt Kyle erin om de dozen met groenten aan Bryan door te geven.
Ik houd mijn volgende opmerking in tot Neil naar de schuur terugkeert met zijn nieuwe lading.
‘Het wordt erger, is het niet?’ vraag ik. Ik kijk Neil even na. ‘De oorlog.’
Kyle schenkt me een betekenisvolle blik terwijl hij een andere doos neemt en die aan mij geeft.
Ik had het wel zien aankomen, omdat het de laatste tijd te rustig is om goed te zijn. Het voelde als een stilte voor de storm. Toch. Zelfs als je iets ziet aankomen, betekent dat niet dat je het met open armen en een brede glimlach verwelkomt. Verre daarvan zelfs.
Zodra we alle drie zoveel vasthebben als we kunnen dragen, wandelen we weer terug. Ik kijk in het rond naar de mensen rondom me. Het is hier een heus bijennest van donkergroene kleren.
‘Ze hebben meer mensen nodig, dus nu nemen ze hem ook aan?’ vroeg ik. En het klonk zo gemeen tegenover Leonardo, alsof ze hem anders niet zouden willen. Ik wou zelf dat dat de enige reden was dat ze hem aannamen. Gewoon, omdat ze iets in hem zien.
‘Ja.’ Bryan bijt op zijn gescheurde lippen.
Ik bijt op de binnenkant van mijn onderlip. Als ik hier niet kwam, zou ik helemaal niet zo op de hoogte zijn van de situatie als nu. Dan hing ik net als de andere inwoners van de stad af van de roddels en geruchten die rondgingen in de cafés en superettes.
‘Ze hebben gisteren een hele stad gebombardeerd,’ fluistert Kyle. Ik sluit mijn ogen in een stille frustratie. Dan was het toch waar wat Eva me via de telefoon had verteld. Af en toe wens ik dat geruchten gewoon geruchten bleven en geen verschrikkelijke waarheid werden.
De enige reden dat ik – en vele anderen – nooit wen aan dit soort nieuws, is het besef dat wij de volgende zouden kunnen zijn.
Bryan komt voor me lopen en keert zich naar me om. ‘We geven niet zomaar op.’
‘Dat mag ik hopen,’ zeg ik speels.
‘Voor jou red ik de wereld, fraulein.’ Hij kijkt me met een scheve grijns aan en loopt de schuur door.
Aan de tafel met supplementen staat ondertussen al een lange rij hongerige jongens, die honderd runderen zouden kunnen verorberen. ‘Toch enkel voor mij?’ zeg ik tegen Bryan die met zijn wenkbrauwen op en neer wiebelt.
Hij zet zijn en mijn bak met groenten op de tafel, neemt mijn hand vast en draait me in het rond. ‘Jij bent de enige.’
Ik glimlach en klop hem op zijn borstkas. ‘Goed zo.’
Ik heb geleerd dat ik niet mag verdrinken in triestheden op momenten als deze. En ondanks zijn speelse gedrag, weet ik dat Bryan meer van de bommen afziet dan hij laat blijken. Hij is anders dan Kyle, die zijn verdriet kort uit en dan verdergaat. Anders dan Neil, die deze zaken eerder in zichzelf lijkt te verwerken.
Neil is stil, en hij gaat ook stil met dit soort zaken om. Hij is vriendelijk en oprecht, maar moeilijk te doorgronden.
Bryan uit zijn gevoelens meestal met dubbelzinnige uitspraken of flirterige opmerkingen. En geheimzinnige zaken in donkere ruimtes in de achterkamer van de schuur. Maar die geheimzinnige zaken blijven enkel tussen hem en mij.

Posted in Actua, LGBT

Holebi’s laten niet meer met zich sollen

“Acceptatie ligt in de handen van de maatschappij”

Na de moord op een homoseksuele man in Beveren, wordt de roep naar gelijkheid voor holebi’s terug luider. Het gevolg: tientallen protesten in het hele land en talloze debatten op tv. Enkele holebi’s getuigen over hun ervaringen.
Door Amber Deckers, Oliver Vereycken en Anne de Nijs

Tanguy Ottomer (39) is stadsgids in Antwerpen en probeert negativiteit op sociale media te ontwijken.

“Als je als homokoppel hand in hand rondloopt, heb je het gevoel dat je iets ‘verkeerd’ doet. Het is een gebaar van liefde en aantrekking dat toch door bepaalde mensen als iets fout gezien wordt, zelfs hier in Antwerpen. België hoort bij de top vijf beste landen voor LGBT+ rechten. Hier kunnen wij trouwen en kinderen adopteren zonder probleem. In bijna zeventig landen is homoseksueel zijn een misdrijf.”

“Volgens mij komt dat haatdragende gedrag voort uit onwetendheid. Mensen begrijpen niet wat het is omdat ze het zelf niet meemaken en vinden het gemakkelijker om het als iets onnatuurlijk te zien. Als je kijkt naar de gebeurtenis in Beveren en de uitspraak van het Vaticaan, dat homoseksualiteit een zonde is, dan weet je dat we als maatschappij beter moeten doen. Het is aan ons om de plooien glad te strijken.”


“Haat komt uit onwetendheid”

In een stijgende lijn

“De media moet hier absoluut aandacht aan geven en dat doen ze ook, maar de moord op die homoseksuele man is geen positief nieuws. De dagdagelijkse positieve dingen komen niet in de media en dat is jammer. Als je heel de tijd negatieve nieuwtjes uitzendt, zal dat mensen voeden om die negativiteit aan te houden. Het is gelukkig wel al een pak beter dan vroeger.”

“Sensibiliseringscampagnes helpen op kleine schaal, maar gaan de wereld niet veranderen. Het zijn de nieuwe media zoals Netflix die ervoor moeten zorgen dat de massa hun gedachtegoed openstelt. Ikzelf ben van het jaar ’81, en in die wereld zag de homowereld er vaak beangstigend uit. Toen werden homo’s aanzien als ‘Jambers-marginalen’. Als je nu kijkt zie je in series en films mannen met mannen, vrouwen met vrouwen, bi- of homoseksueel. Dat kan allemaal, en dat wordt op een normale manier in beeld gebracht. Als dit onderwerp in een mooi verhaal wordt gegoten, staan we al een hele stap dichter bij acceptatie.”


Ambiance

“Ik probeer het nieuws zo weinig mogelijk te volgen, zeker via sociale media waar je snel boodschappen kan verspreiden, zowel negatieve als positieve. En Facebook is de vuilbak van mensen hun mening. Als je die negativiteit aandacht geeft, blijft dat groeien.”

“Mensen moeten één ding weten: in de gay-community lachen we graag. Het leven is kort en we hebben lang genoeg in de kast gezeten. Laten we het gewoon plezant houden. Ik heb zelfs hetero vrienden die liever naar gayclubs gaan, puur voor de ambiance.”

Gianni (21) is student verpleegkunde en is zelf al slachtoffer geweest van holebihaat.

“Ik krijg soms opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd zoals ‘die homo is daar’, ‘ha, gay!’ of ‘daar is hij weer mijn zijn vriendinnetjes’, omdat ik veel vrouwelijke vrienden heb. Toen ik naar de hogeschool ging minderde dat een beetje, maar het zijn vaak jongens die zulke kinderachtige opmerkingen maken.”

“De sociale media zijn een grote bron van pesterijen. Ik heb op TikTok al veel negatieve reacties gekregen. Mensen begonnen elkaar taggen om mij uit te lachen. Ook al geven mensen je honderd positieve opmerkingen, die negatieve zullen beter blijven hangen.”

“Je bent meer dan je geaardheid ”

“Ik vind het jammer dat mensen zichzelf niet kunnen zijn. Mensen zeggen altijd van wel, maar je merkt dat dat niet klopt. Tijdens avondjes uit werd ik vaak beledigd, op zo’n momenten wou ik dat ik sterker, breder en groter was zodat ik voor mezelf kon opkomen. Nu ik ouder ben, probeer ik die persoon te zijn voor anderen.”


Senna (23) studente Journalistiek aan de AP Hogeschool verbaast zich dat mensen zich zo verwonderen over holebihaat

“Holebihaat vindt dagelijks plaats, in de vorm van kleine opmerkingen of beledigingen, maar niemand weet ervan. Het is een moeilijk gegeven. Enerzijds is het superbelangrijk dat we aandacht schenken aan dit probleem en aan de agressie tegenover de LGBT+ gemeenschap, anderzijds wil je geen aandacht schenken aan de mensen die zulke zaken uitvoeren.”


Meer dan een object
“Ik ben al vaak geobjectiveerd vanwege mijn geaardheid. Ooit kwam een man naar mij toe om te vragen of ik een vriend had. Ik zei dat ik een vriendin had, waarop hij begon te vertellen dat hij dat enorm geil vond. Een andere keer tijdens een picknick met mijn vriendin kwam een man achter ons zitten om ons voortdurend aan te staren.”

“Ik vind dat lastig. Het is natuurlijk anders dan wanneer ze iemand vermoorden of aanvallen vanwege hun geaardheid, maar elke soort discriminatie is een inbreuk is op je grondrecht en op je bestaan. Het is een aanval op alle mensen die in de LGBT+ gemeenschap zitten.”

“Vroeger paste ik me aan zo’n opmerkingen aan en hield ik de hand van mijn vriendin niet meer vast. Nu ben ik daar doof voor geworden. Het blijft gewoon jammer dat het sociaal aanvaard lijkt dat mannen zulke opmerkingen mogen maken op twee vrouwen die elkaars hand vasthouden.”

Op een onbewoond eiland
“We zitten al veel verder dan vroeger, maar er zijn nog altijd pijnpunten die belicht moeten worden”, vertelt Senna. “Ze brengen de LGBT+-gemeenschap vaak in beeld als iets exotisch. Het is zelfs op mijn eigen school recent gebeurd dat ze een artikel publiceerden over de gay-scene en dat dat een hook-up-culture is. Ze stigmatiseren onze gemeenschap volledig.”

“Wij hebben voor die klas een lezing georganiseerd en vroegen wie daar hetero was. Toen ze hun handen opstaken, maakten we banale opmerkingen zoals “Oh my god, ben jij hetero? Ik heb altijd al een hetero beste vriend willen hebben!” Wij krijgen die soms ook naar ons hoofd geslingerd, en door die terug te kaatsen kunnen hen leren in perspectief te plaatsen hoe stom ze eigenlijk zijn.”

“Ik heb er zeker hoop in dat holebihaat zal wegebben. Er is simpelweg nog werk aan de winkel op het vlak van normaliseren en integreren. Vooral op vlak van politiek. Er moet zeker representatie zijn. Je kan oudere witte hetero mannen niet volledig laten beslissen over zaken rond de LGBT+-gemeenschap. Als je er zelf geen onderdeel van bent, weet je niet hoe je het best aanpakt. Het is belangrijk dat iemand van de gemeenschap dan niet wordt gebruikt als een pion om aan te tonen hoe erg de politici mee zijn met de tijd. Door dat te zeggen, maak je er weer iets exotisch van. Iemand wordt gekozen omdat hij of zij een goede politicus is en moet dat kunnen zijn zonder non-stop te worden gedefinieerd als LGBT+ persoon. Je bent niet alleen je geaardheid.”

Deze bijdrage kadert in de Intercultural Readiness Check waarmee APJournalistiek de interculturele reflex van zijn studenten wil aanscherpen.

Verschenen in Den Triangel
Jaargang 14, Nummer 4
Foto door Anne de Nijs

Posted in Actua

Edito: Kerst op afstand

De kerstperiode komt langzaamaan vanachter een hoek piepen, en zoals velen beseffen we dat het dit jaar een heel andere soort kerst zal zijn. Geen grote familiefeestjes en geen avonden met ouders of grootouders. Enkel een avond voor jezelf of je eigen bubbel. 2020 was voor velen een jaar vol tegenslag en hindernissen, en moeilijkheden die we niet voorzagen. Toch blijft het belangrijk dat we genieten van de momenten die we wél krijgen. Het wordt voor velen de soberste Kerstmis in vele jaren, of juist een eenzamere Kerstmis dan gewoonlijk, wat niet altijd gemakkelijk valt.

Bij tegenslag kom je op de beste ideeën

Toch komen mensen op de meest inventieve ideeën wanneer ze tegenover deze soort barricades komen te staan. Zo hebben we bij ons thuis al een plan om met mijn grootouders te videochatten terwijl we hetzelfde gerecht eten, maar dan vanuit een ander huis. Later in de avond zetten we ons met z’n allen in de woonkamer, en projecteren we hun gezichten op onze televisie. Het is anders dan anders, maar het zorgt ervoor dat we toch nog met elkaar in contact kunnen blijven. Op dat vlak leven we in een zéér goed tijdperk.

Het tijdperk waarin onze beste vriend, zus, broer, kind, ouder, oom of tante maar één tikje van ons is verwijderd, en vele bedrijven er álles aan doen om mensen met elkaar te verbinden. De mogelijkheden zijn eindeloos, en daar zijn wij als redactie best dankbaar voor. Op naar 2021, een jaar vol hoop en hopelijk vele dikke knuffels.

Posted in mentale gezondheid

Martin maakt kunst van zijn pijn

“Ik wíl meer paranoia voelen, want dan maak ik betere schilderijen”

Een witte bak met een dynamo en een fietswiel om aan te draaien. Het lijkt op het eerste zicht een conceptueel en abstract werk, maar voor kunstenaar Martin zit er een diepere betekenis achter. Hij verwerkt zijn mentale problemen in zijn werken. “De spaken van dat fietswiel zijn een stramien. Het schema van momenten dat ik medicatie moet slikken. En als je stopt met draaien aan dat wiel voel ik mij slecht”, vertelt hij.

Schilderde je al vanaf jonge leeftijd over je gevoelens?
Neen. Dat is pas later begonnen. Ik schilder al sinds ik heel klein was, al kladder vervende op een plastiek aan de keukentafel, maar ik zat eerst mentaal te diep om over mijn gedachten te schilderen. Die gedachten kunnen heel donker zijn en als ik me echt slecht voel, kruip ik onder een deken en sluit ik me af van de rest van de wereld. Ik heb een hele tijd in mezelf geleefd omdat ik me vooral met mijn eigen welzijn bezighield. Ik zat op mijn vijftiende twee keer in de psychiatrie en had geen fut om me toen op schilderen te focussen.

Waarom werd je opgenomen?
Ik had het nodig voor mijn eigen veiligheid. Wanneer de prikkels mij teveel zijn, ben ik erg zelfvernietigend. Zo nam ik overdosissen in als het mij teveel werd, al waren die nooit hoog genoeg om effectieve schade aan te richten. Mijn toenmalige therapeut adviseerde mij daarom om een maand naar de psychiatrie te gaan. Datzelfde jaar ging ik nog terug voor een andere maand.

Hoe ervaarde je die opname?
Je zit daar met mensen van je eigen leeftijd die allemaal met hun eigen problemen kampen… dat kon soms wel problemen geven. Soms ruzies of overdreven reacties, en soms simpelweg persoonlijkheden die botsten. Tijdens mijn tweede opname in UZ Gent maakten ze regelmatig ruzie en vochten ze af en toe zelfs. Daar heb ik mij nooit echt mee gemoeid. Ik wist dat ik daar samenzat met mensen met andere normen en waarden. Je kan het een beetje vergelijken met school. Daar zetten ze je in één klas met mensen die heel anders als jou zijn.

En dat zorgt voor spanningen.
Ja, maar het was niet altijd slecht. Mensen zitten in een psychiatrie niet in dwangbuizen zoals men denkt. Er werd ook gelachen en plezier gemaakt. We keken in de gemeenschappelijke ruimte vaak een film en dan grapten en grolden we wat. Je kan dat tot op een zekere hoogte vergelijken met het klaslokaal, maar toch niet helemaal. Je hebt een gevoel van lotsgenootschap en je zit er allemaal met eenzelfde reden: je wil beter worden en aan jezelf werken. Je zit allemaal in een uitzonderlijke situatie met een bepaalde aanleiding. Dat maakt toch dat je een soort band hebt met die mensen.

Spreek je hen nog?
Neen. Dat contact is verwaterd. Zodra je uit de psychiatrie stapt, word je terug in de maatschappij gegooid en groei je uit elkaar. Je bent weer een deel van de wereld en zij zijn uiteindelijk geen deel meer van de jouwe.

Hoe voelde het om weer deel van de wereld te zijn?
Eng. Ik moest daar telkens weer aan wennen, en de eerste keer was ik er echt niet goed van. Ze zetten je terug in de samenleving en verwachten dat je meteen weer mee kan functioneren, terwijl je daarvoor in een bubbel van veiligheid zat waar de mensen altijd klaarstonden om je te helpen.  Ik had tijdens mijn opname soms kamermomenten waarbij je een uur op je kamer tot rust moest komen en je bezig moest houden, en thuis voelde dat anders. Ik bleef dus druk bezig in mijn eigen hoofd, en ongeveer twee jaar later zette ik mijn penseel tegen mijn canvas en tekende over mezelf. Dat werkte als catharsis.

Wat maakte je dan?
De eerste keer dat ik aan een werk begon, wist ik dat ik iets wou vertellen door het te tonen. Ik schilderde bijvoorbeeld een witte bak met een dynamo en een fietswiel waaraan je moest draaien. Dat lijkt vanop het eerste zicht heel conceptueel en abstract, maar daar zat een betekenis achter. De spaken van dat fietswiel waren een stramien. Het schema van momenten dat ik medicatie moest slikken. En als je stopte met draaien aan dat wiel voelde ik mij slecht.

Je neemt ook medicatie?
Ja. Ik had drie jaar geleden regelmatig een soort existentiële crisis waarbij ik alles in twijfel begon te trekken. Ik dacht dat ik de enige was met een bewustzijn, ik dacht dat de wereld op maat was gemaakt voor mij en ik worstelde ook met paranoia. Zo dacht ik regelmatig aan een bepaald automerk, en toen ik een auto van dat merk enkele seconden later zag voorbijrijden, dacht ik dat iemand me voor de gek aan het houden was. Ik nam anti-psychotische medicatie om dat te stoppen.

Waar kwam die paranoia vandaan?
Ik heb een absolute angst om alleen te zijn en naast de realiteit te bestaan. En eigenlijk voelde ik me altijd al afgesneden van de realiteit. Ik dacht lang dat ik de enige was die leefde. Dat alle anderen rondom me poppen waren.  Ik denk niet dat die gedachten een specifieke oorsprong hebben. Ik heb dat altijd al gehad. De schrik om alleen te zijn… Ik denk vaak dat iets mij bekijkt en dat die mij besturen. Alsof ik ieder moment uit de realiteit kan stappen en in een backstage kan terechtkomen.

Een beetje zoals de film The Truman Show?
Ja, dat is een heel goede vergelijking. De eerste keer dat ik die film zag, had ik een kleine crisis omdat ik er van overtuigd was dat bij mij hetzelfde gebeurde. Daarom had ik toen echt die medicatie nodig, omdat die dat tegenhoudt, maar ondertussen bouw ik het al een tijdje af.

Waarom?
Medicatie maakt je moe. Ze zorgt ervoor dat je bijkomt en ze schaaft de pittige hoeken van jezelf weg. Ik heb lang het gevoel gehad dat ik een deel van mezelf verloor door die medicatie. Ik kon vroeger heel willekeurige en scherpe grapjes maken met mijn kunst. Zo maakte ik als negenjarige een tekening van Titanic 2 waarbij ik een ijsberg tekende en iemand zei: “Ja, mannen, het is weer zo ver.” Ik vind dat clever, en dat is triestig omdat het betekent dat ik anders ben.

En je vindt het slecht om anders te zijn?
Het is logisch dat ik anders ben, maar als ik zo’n tekeningen bekijk, kijk ik terug op een onschuldige Martin zonder zorgen. Voor mij blijft het een bitterzoet gegeven, want ik ben mij ook bewust van alle manieren waarop die negenjarige Martin trots op mij zou zijn. Ik wou altijd striptekenaar of animatiemaker worden, en nu werk ik aan een komische animatiereeks. Ik werkte op mijn zestiende ook een verhaal uit waar ik als kind een concept voor had opgesteld. Dus ik denk dat ik die Martin mis maar dat hij wel gerust zou zijn als hij me nu bezig ziet. Ik doe waar ik van droomde, dus het is niet dat ik dát deel van mijn persoonlijkheid verlies door medicatie. Ze bedwelmt me gewoon een beetje, en daarom bouw ik ze af. Het kan ook een goede invloed hebben op mijn werk. Die angst en paranoia… daar komen meer beelden uit.

Heb je het gevoel dat je daarom meer donkere gedachten wil?
Ja. Zolang ze mij niet hinderen. Ik heb soms wel schrik dat ik mezelf iets zou aandoen, omdat ik in mijn zelfvernietigende buien impulsief kan zijn, toch denk ik dat ik veel meer controle heb dan vroeger. Ik wíl echte emotie voelen. Zelfs al is dat paranoia.

Hoe zou die paranoia zich uiten in je werken?
Ze uit zich nu eigenlijk al met de bevreemdende droomachtige sfeer die rond mijn schilderwerken hangt. Die beelden lijken op zaken die je uit het echte leven kent, maar dan in beeld gebracht op een ongemakkelijke manier. Ik werk rond The canny value die Freud altijd vermeldde omdat ik me vaak een alien voel. Ik heb zelf zo’n gevoel van vervreemding, en dat verwerk ik zo subtiel mogelijk in mijn werken. Ik wil dat mensen naar mijn schilderijen kijken en zich afvragen of er iets gaat gebeuren of niet.

Hoe breng je dat dan in beeld?
Ik beeld het moment vóór een gebeurtenis af. Ik zal niets afbeelden dat gruwelijk is, want dat vind ik een beetje gemakkelijk. Iedereen vindt overal over-gedramatiseerde beelden van expliciet geweld. We zijn in televisie en theater gewend geraakt aan het lugubere en we vergeten dat theatrale en overdreven aspect te relativeren. In een film zit er muziek bij, alles is geacteerd en de mensen gedragen zich niet zoals in de werkelijkheid. Ik wil zo’n zaken vermijden. Ik wil dat anders aanpakken. En dat doe ik door the moment of te vermijden.

Heb je daar een voorbeeld van?
Momenteel ben ik aan een video bezig over een talk show, John Doe. Dat is een naam die aan ongeïdentificeerde lijken wordt geven. John Doe is een buitenaards-achtige talkshow waarbij een host, gebaseerd op die van de typische Amerikaanse talkshows, een John Doe interviewt. Op de gaststoel naast hem zit dan een soort paspop, een afdruk van wat ooit een mens was. Omdat het een reconstructie van een lijk is, antwoordt die gast natuurlijk niet. Ze tonen in die talkshow telkens een video waarbij iemand het lijk vindt, en het publiek lacht daar dan mee.

Waarom lachen ze?
Door de sensatie. Alles in die talkshow is sensatie. Het is een beetje een verwijzing naar dat expliciete en sensatiegerichte aspect van de media. Mensen kunnen het ware niet meer onderscheiden van het neppe en zouden kunnen geloven dat die John Doe van het filmpje een écht lijk is. Als je iets wil geloven, is het geloofwaardig. Het publiek lacht ook om dat ongepaste en buitenaardse te benadrukken. Het voelt als geforceerd plezier en dat gebeurt in het echt ook. Bij talkshows gaat de sfeer soms een verkeerde kant op wanneer de gast het toneeltje doorbreekt, en op die momenten tonen de makers van het programma het publiek niet en voegen ze een lachband toe. De kijker is zich daardoor van niks bewust.  

Zie je het als kritiek tegen sensatie?
Kritiek klinkt alsof ik met het vingertje wil wijzen en dat is niet zo. Het werkt eerder als vertrekpunt, samen met dat onaardse en vervreemde aspect ervan.

Verwerk je dat ook in je schilderkunst?
Op één of andere manier wel. Vroeger tekende ik om te tekenen. Ik tekende omdat het kon. Nu teken ik met mijn gedachten. Ik heb bijvoorbeeld een schilderij aan mijn psycholoog verkocht, The Observers, waar ik als lijk op een grasveld lig met zwevende hoofden die me vanuit de lucht bekijken. Dat schilderde ik op basis van een gevoel. Met dat idee dat ik door iets groter dan mezelf bekeken word. Dat ik bespot word, en in een duistere comedy zit. Je merkt die paranoia op.

Begin je altijd met een specifiek idee voor ogen?
Niet altijd. Het gebeurt wel vaker dat ik achteraf ontdek waarom ik iets op een bepaalde manier aanpakte. Ik vind dat leuk omdat ik achteraf bij mijn gesprekken met de psycholoog ontdek wat de aanzet daarvan was. Ik leer mijn gedachten kennen, zelfs na het werk. Dat werkt verlossend.

Tekst en foto door Amber Deckers