“Als ik kon ging ik er meteen weer wonen”
Acteur Hans de Munter spendeerde zijn jeugd in de Boerentoren van Antwerpen. Zijn vader werkte als directeur bij Mobezit, een bedrijf dat de Boerentoren beheerde, en werd geacht er met zijn familie in te trekken. Nu de Boerentoren opnieuw verkocht is, kijkt de Munter met plezier terug naar zijn jeugd in dit iconisch gebouw.
Door Amber Deckers en Demi Feron
“Toen ik er als tiener woonde, hechtte ik geen belang aan alle speciale verhalen die zich voor mijn ogen ontvouwden, maar na al die jaren ontdekte ik dat veel was blijven hangen.” Hans De Munter leerde tijdens zijn verblijf in de Boerentoren houden van de stad en werd na een tijd een echte stadsmens.
“Eerst vond ik het er verschrikkelijk. Wij woonden daarvoor in een villa in Koningshof en plots werd ik in een dichte ruimte in een toren gezet. Dat is voor een zevenjarige een trieste bedoening.” Voor ze verhuisden, voetbalde Hans waar hij maar wou en liepen hij en zijn vrienden van de ene naar de andere tuin. In de stad was dat een ander verhaal. Er kwamen zelden vriendjes langs, tenzij hij ze meenam van school, en voetballen in de woonkamer leek hem niet zo’n goed idee.

Stedelijke avonturen
Ondanks zijn teleurstelling na de verhuizing leerde De Munter de stad kennen op zijn eigen manier. “Mijn zus was een echte student. Ze hield zich praktisch heel de tijd bezig met school en ik was eigenlijk precies het omgekeerde. Vanwege mijn lage inzet en slechte punten stuurde mijn moeder mij altijd op schok om de boodschappen te gaan doen en eigenlijk vond ik dat helemaal niet erg. Als ze me zagen vertrekken wisten ze zelden wanneer ik weer thuis zou komen, omdat ik zo lang rondkuierde in de straten. Dan moest ik bijvoorbeeld garen gaan halen en ging ik in de winkel strips lezen tot ze mij buiten schopten of neusde ik uren door platenbakken in de platenwinkel. Ik ontdekte de stad ontzettend graag.”
Maar de stad was niet de enige plek waar hij avonturen beleefde. Ook de toren was voor hem een eigen speeltuin, al vond niet iedereen dat even geweldig. “De liften van de boerentoren zijn me altijd bijgebleven. Vroeger waren dat echt liften met ‘liftmannen’ die de hendel naar beneden duwden of omhoog trokken naargelang waar je heenging, een beetje zoals een oud stoomschip. En omdat ik de zoon van de directeur was lieten sommigen mij zelf die lift besturen, wat ik natuurlijk met veel plezier deed. Na een tijdje kon ik die liften bijna even goed besturen als de mensen die er werkten.”

Nieuwe technische snufjes
Toen kwamen er in ’69 nieuwe liften, moderne Westinghouse-liften uit Amerika, omdat die zogezegd het beste van het beste waren. Dat verliep echter niet zo vlot. “Die lagen elke week plat. Echt élke week. Ik kan je vertellen dat 23 verdiepingen een heuse beklimming zijn. De trip naar beneden bleef doenbaar, maar die naar boven… dat was een ander verhaal.” Al hielden die pannes Hans niet tegen om met de knoppen van de lift te prutsen. “Normaal gezien duurde een trip van de benedenverdieping tot de 23ste zo’n minuut, en als je al die knoppen induwt duurt dat een pak langer. De lift stopte dan ook bij elke verdieping tot je ze allemaal bereikt had. Mijn vader kreeg daarna vaak een reactie van de baas van de liftmannen of van de portier, maar dat hield ons meestal niet tegen.”
Terugkeren
Na twaalf jaar in de toren te hebben gewoond, kreeg zijn vader een job in New York, waarna ze verhuisden. Wanneer we vragen of hij terug zou willen gaan, knikt hij resoluut. “Zeker weten. Ik zeg het vaak: ‘Als ik ooit de Lotto win koop ik de Boerentoren zelf en ga ik weer op de 23ste verdieping wonen.’ De zaken die je daar ziet, dat houd je niet voor mogelijk. Je ziet de wereld uit een heel ander perspectief en merkt zaken op die beneden niet zichtbaar zijn. Ons uitzicht in het appartement was een beetje zoals de televisie of het haardvuur in deze tijd. Wanneer je in gesprek bent met iemand en je aandacht plots volledig wordt opgeslokt door het plaatje dat zich voor je afspeelt. Aanmerende boten, rook van fabrieken, ontsporende trams (lacht)… je ziet álles. Dus ja, ik zou zo teruggaan.”
Verschenen in Den Triangel
Jaargang 14, Nummer 2